De mythe voorbij

Ulysses als sterk verhaal

Bloomsdaylezing, Groningen 2000

Onno Kosters

Op 16 juni 2000 was het, zeggen ze, 96 jaar geleden dat James Augustine Aloysius Joyce, dichter, gesjeesde student, essayist, armoedzaaier, applaus-onder-vrienden-oogster, met een meisje uit wandelen ging dat hij een paar dagen daarvoor op straat in Dublin had ontmoet. Haar naam: Nora Barnacle – wat ‘zeepok’ betekent, een gegeven dat Joyce’s vader deed opmerken dat ze dan wel aan hem vast zou blijven klitten.

Hetgeen gebeurde. Hij was en bleef gecharmeerd van haar bruine krullen, haar vrije opvattingen over seksualiteit (die ze, naar verluid, tijdens hun eerste afspraakje al in de praktijk bracht), haar taalgebruik, haar accent. Zij van zijn blauwe ogen, scherpe humor en onbevangen gedrag. De twee zouden bij elkaar blijven tot Joyce’s dood op 13 januari 1941 hen scheidde. Joyce liet zijn boek Ulysses, als eerbetoon aan hun eerste afspraakje, op 16 juni 1904 spelen. Een mythe was geboren.

Het boek, dat op 2 februari 1922 werd gepubliceerd (Joyce’s 40e verjaardag), overviel de literaire wereld als een verademing – en de Ierse, met name de Dublinse burgers en buitenlui, als een koude douche. ‘Dit boek volstaat om een Hottentot ziek te maken’, concludeerde de Irish Sporting News. Nog voor het de kans kreeg bij een groter publiek gelezen of zelfs maar bekend te worden, werd het boek geslachtofferd op het altaar van het gezonde volksgevoel. Kort daarop werd het in Engeland en de Verenigde Staten verboden en het zou tot 1932 duren voor een Amerikaanse rechter, met opmerkelijk vertoon van overwonnen weerzin, die ban ophief. ‘Dit boek’, zo luidde zijn uitspraak, ‘is misschien misselijkmakend, maar ik zie daar geen reden in om verdere verspreiding tegen te gaan.’ Een mythe kon volwassen worden.

In de daarop volgende 70 jaar werd het boek, door een steeds bredere belangstelling in vooral academische kring, een bestseller: het werd een van de meest becommentarieerde, geannoteerde, vereerde boeken ooit. De dag waarop het boek zich afspeelt, 16 juni, is voor velen (niet het minst voor de vvv van Dublin) een jaarlijkse feestdag geworden. Over de hele wereld verzamelen zich liefhebbers van Joyce om fragmenten aan elkaar voor te lezen, schapeniertjes te eten, uit te staren over denkbeeldige Liffeys, zich in contemporaine klederdracht te hijsen, en te luisteren naar meer of minder geleerde lezingen over het boek en over de man die van Odysseus een tijdgenoot maakte: James Joyce, woordtovenaar, schepper van grootschalige ‘auto-biografictie’, mythograaf zonder weerga. Een mythe heeft eeuwigheidsallure gekregen, en dat alles onder het motto, ‘er gaat niets boven Ulysses.

Maar waar gaat Ulysses nou eigenlijk over? Wat maakt het boek zo bijzonder? In deze inleiding zal ik proberen aan de hand van de ontstaans- en ontvangstgeschiedenis een paar antwoorden op die vragen te geven.

De ontstaansgeschiedenis van Ulysses begint bij een kort verhaal dat ‘Ulysses in Dublin’ heette en dat Joyce in 1906 schreef om toe te voegen aan zijn verhalenbundel Dubliners. Het zou gaan over de vermeend Joodse Dubliner Alfred H. Hunter, die door Dublin wandelt en aan het eind een houvast biedt voor een jonge kunstenaar met zijn ziel onder de arm. Joyce liep echter vast met zijn verhaal en besteedde de jaren die volgden aan verwoede pogingen zijn bundel gepubliceerd te krijgen, wat pas in 1914 zou gebeuren. In 1916 verscheen de roman A Portrait of the Artist As a Young Man, die weer voortvloeide uit Stephen Hero waarin voor het eerst Stephen Dedalus, de hoofdpersoon van A Portrait of the Artist As a Young Man en een van de drie latere hoofdpersonen uit Ulysses, ten tonele wordt gevoerd.

Dat was misschien een ingewikkelde zin, maar daar had ik een illustratieve bedoeling mee: Joyce’s teksten vormen een uitgebreid, en in letterlijke betekenis ingewikkeld intertekstueel netwerk. Dat betekent dat er tussen de werken onderling een grote samenhang bestaat: personages die in de verhalen van Dubliners voorkomen zien we terug in Ulysses, verhaallijnen die worden begonnen in A Portrait of the Artist As a Young Man worden vervolgd in Ulysses, thema’s die in Dubliners worden behandeld krijgen een sterke autobiografische lading in A Portrait of the Artist As a Young Man en worden tot mythische proporties uitvergroot in Ulysses. Dit netwerk van relaties krijgt zijn samenhang in belangrijke mate door wat we eenvoudigweg de ‘losse eindjes aan elkaar knoop-methode’ kunnen noemen. Met die losse eindjes bedoel ik de begin- en eindfragmenten van, maar ook in (begin- en eindfragmenten van hoofdstukken, bijvoorbeeld) zijn werk. Voorbeeld: het eerste hoofdstuk van Ulysses was oorspronkelijk geschreven als het laatste hoofdstuk van A Portrait of the Artist As a Young Man. Oorspronkelijk einde en uiteindelijk begin klinken de twee boeken onlosmakelijk aan elkaar vast. A Portrait of the Artist As a Young Man eindigt met de datering ‘Dublin 1904-Trieste 1914’, de datering van Ulysses sluit daarop aan: ‘Trieste-Zurich-Paris, 1914-1921’. Finnegans Wake, ten slotte – letterlijk ten slotte – sluit Joyce’s oeuvre af met de datering ‘Paris 1922-1939’. De aaneenschakeling is compleet: het einde van A Portrait of the Artist As a Young Man betekent het begin van Ulysses, het einde van Ulysses preludeert op het begin van Finnegans Wake en het einde daarvan betekent het sluitstuk van de ketting.

Korter gezegd, begin en einde van en in Joyce’s werk ‘rijken elkaar de hand’, waardoor de zo kenmerkende eenheid van het oeuvre van Joyce ontstaat. In mijn rondleiding door Ulysses, later vanavond, zal ik dit fenomeen aan de hand van nog enkele fragmenten illustreren. Nu eerst het vervolg van mijn schets van de onstaans- en ontvangst-geschiedenis van Ulysses.

Op 16 juni – echt waar – 1915 schrijft Joyce aan zijn broer Stanislaus dat hij aan het eerste hoofdstuk van zijn nieuwe roman getiteld Ulysses is begonnen. In de bijna zeven daaropvolgende jaren zal hij zich bijna onafgebroken met het boek bezighouden, bijna tot en met de dag van publicatie werkt hij aan aanvullingen en verbeteringen. In de jaren erna verschijnen nieuwe edities met nieuwe correcties en aangezien niemand van een aantal zaken precies kan aantonen wat Joyce wel of niet gecorrigeerd of niet-gecorrigeerd, welke passages hij erin of juist niet erin wilde hebben, strijden critici en wetenschappers tot en met de dag van vandaag over de vraag welke editie de door Joyce bedoelde editie – als die al bestaat – het best benadert. Dit is een dermate ingewikkelde problematiek dat ik daar niet al te diep op wil ingaan. De furie waarmee men elkaars gelijk in deze kringen bestrijdt, zegt wel weer een hoop over de status van de tekst. Zelden zullen er, in een publicatie als de New York Times Review of Books, zulke felle, publieke debatten over komma’s en punten zijn gevoerd. In retrospectief, maar zo gaat dat meestal, kan Joyce een visionair, ja, misschien zelfs een profeet van zijn eigen roem worden genoemd. Hij voorspelde namelijk dat hij zoveel raadsels in Ulysses had gestopt, dat het de professoren nog eeuwenlang bezig zou houden, en dat dat enige manier is om je eigen onsterfelijkheid te bewerkstelligen. Wat later zal ik een paar van die raadsels nader belichten. Nu eerst, eindelijk, een antwoord op de vraag, waar gaat het boek over? (Net zoals Joyce heb ik de neiging via omwegen, zijpaadjes, onverwachte wendingen en gevaarlijke bochten tot een bepaald punt te komen; ik ben er met hem van overtuigd dat er zo een hoop meer te genieten valt onderweg).

Ulysses bestaat uit 18 hoofdstukken, ook wel ‘episodes’ genoemd. Het sluit daarin aan bij (maar kopieert net niet) een klassieke tekst als De Odyssee (24 ‘boeken’), maar ook bij een achttiende-eeuwse imitatie daarvan als Henry Fieldings Tom Jones (ook 24 ‘boeken’). Zoals het een beetje klassiek epos betaamt heeft Ulysses universele kwaliteiten. Grote, klassieke thema’s worden behandeld: liefde, dood, overspel, zielenood, hoogmoed, heldhaftigheid, lafhartigheid… Ulysses, ik zinspeelde er al op (het is de Latijnse versie van de Griekse naam Odysseus), vertoont een zekere verwantschap met de avonturen van de held van Homerus’ epos De Odyssee. Joyce gebruikte De Odyssee als een bouwsteiger om de kathedraal Ulysses mee te kunnen bouwen. Het is een toepasselijk beeld: als het gebouw af is, haal je de steigers weg. De sporen van Joyce’s klassieke inspiratiebron zijn nog wel zichtbaar in de tekst zelf, maar al te duidelijke verwijzingen heeft Joyce uiteindelijk geschrapt. Zo hadden in voorpublicaties de hoofdstukken titels die geënt waren op episodes uit De Odyssee. Bij het ter perse gaan van het boek liet Joyce deze titels verwijderen.

Wat Joyce aan dit alles toevoegt is een portret van de stad Dublin en haar bevolking aan het begin van deze eeuw. Zoals Voskuils Het bureau een groot deel van zijn succes ontleent aan de herkenbaarheid van de geschetste situatie, zo had Ulysses bij verschijning al een groot succes in Dublin kunnen zijn vanwege de bijna fotografische precisie waarmee Joyce zijn geboortestad in kaart heeft gebracht. Helaas is van het door Joyce geschetste Dublin nu bijna niets meer over. Ulysses is wat de portrettering van Dublin betreft een nostalgisch gekleurde briefkaart geworden.

De sociale klasse die het middelpunt van Ulysses vormt is enerzijds die van de lagere middenklasse, in Dublin ook wel the drinking classes genoemd: arbeiders, lagere ambtenaren, maar ook werklozen, mensen met Melkertbanen, advertentieverkopers, journalisten. Dat is de wereld van Leopold Bloom, de belangrijkste hoofdpersoon en ook degene die dichtbij de oor-spronkelijke Alfred Hunter staat. Anderzijds is daar Stephen Dedalus, onderwijzer, dichter, schrijver-in-wording, essayist, armoedzaaier, applaus-onder-vrienden-oogster… Hij verkiest, bijna zijns ondanks, het gezelschap van het meer studentikoze Dublin – ofschoon, vandaag (waarmee ik bedoel 16 juni 1904), waarschijnlijk voor het laatst. Derde hoofdpersoon van Ulysses is Molly Bloom, Leopolds echtgenote.

Op het meest oppervlakkige niveau is het verhaal van Ulysses dat van Stephen Dedalus die op een ochtend wakker wordt in een toren ten zuiden van Dublin. Hij verblijft daar met zijn vriend (het soort vriend van wie je kunt zeggen, als je zo’n vriend hebt, heb je geen vijanden meer nodig) Buck Mulligan en hun Engelse gast Haines. Na het ontbijt vertekt Stephen naar de school waar hij lesgeeft. Halverwege de ochtend krijgt hij van de hoofdmeester zijn schamele loon uitbetaald, waarna hij gaat uitwaaien op het strand. Deze gebeurtenissen beslaan de eerste drie hoofdstukken van het boek. Dan begint het boek als het ware opnieuw: hoofdstuk 4 begint weer ’s morgens vroeg, als we Leopold Bloom in zijn keuken een ontbijt voor zichzelf en zijn vrouw Molly zien klaarmaken. Hij doet wat boodschappen en weer thuisgekomen bereidt hij zijn schapeniertje (en laat die verbranden) en trekt zich dan met de krant terug op de wc, een excercitie waar we met volle teugen van mogen meegenieten. In hoofdstuk 5 zien we Bloom door de stad lopen, in hoofdstuk 6 gaat hij naar een begrafenis. Aan het eind ervan zijn we in de tijd weer bij het moment dat we Stephen achterlieten: het is een uur of 12. Hoofdstuk 7 vindt plaats op de burelen van de krant, waar Stephen en Bloom zich voor het eerst in elkaars directe nabijheid bevinden. Hoofdstuk 8 is weer geheel gewijd aan Bloom, die zwerft door de stad, ergens gaat lunchen en uiteindelijk in de National Library terecht komt. Daar speelt zich hoofdstuk 9 af, waarin ook Stephen weer opduikt. Hoofdstuk 10 biedt in vogelvlucht een beeld van Dublin, waarin vele personages voor kortere of langere tijd worden gevolgd, onder hen ook weer Stephen en Bloom. Hoofdstuk 11 speelt zich af in een hotelbar, waar wordt gezongen en gedronken. In hoofdstuk 12 bevinden we ons in een pub, waar Bloom een aanvaring heeft met een dronken nationalist, in hoofdstuk 13 heeft hij een romantische ontmoeting met een Lolita-achtig meisje (een ontmoeting die zich evenwel louter in zijn fantasie afspeelt). Hoofdstuk 14 speelt zich ’s avonds af, in een kraamkliniek, waar Bloom informeert naar de staat van de bevalling van een kennis, en hij wordt opgenomen in een gezelschap dronken medische studenten, waaronder Buck Mulligan en Stephen Dedalus. In hoofdstuk 15 volgt Bloom Stephen naar het hoerenkwartier, en behoedt hem voor verdere ongelukken als hij in elkaar is geslagen door een Britse soldaat. In hoofdstuk 16 neemt Bloom Stephen mee naar een nachtcafé en nodigt hem daar uit om mee naar huis te gaan, waar hij hem, in hoofdstuk 17, warme chocola aanbiedt en de twee tot diep in de nacht met elkaar blijven praten. Stephen slaat vervolgens Blooms aanbod om te blijven slapen af en verdwijnt in de nacht. Bloom rommelt nog wat in huis, gaat naar bed, waar zijn vrouw wakker wordt en de twee nog een slaperig gesprek voeren. Hoofdstuk 18 is een monoloog van Molly, waarin ze haar leven, haar relatie met Bloom en haar eerder die dag gepleegde overspel overziet.

Einde. Best een saai boek eigenlijk, denken sommigen van u nu misschien. Maar dat is het niet. Het zijn in belangrijke mate de omwegen die Joyce bewandelt bij het vertellen van dit verhaal die spannend zijn. Onder de oppervlakte bevinden zich vele, met elkaar vervlochten verhaallagen. Een voorbeeld: de hoofdmeester van de school waar Stephen lesgeeft is in wezen een domme, overtuigde antisemiet. Stephen veroordeelt hem daar stilzwijgend om. Bloom is Joods (ofschoon niet besneden). Stephen zingt in het voorlaatste hoofdstuk, in de gastvrijheid van Blooms keuken, een antisemitisch getint liedje. Hoe valt dat allemaal te rijmen? Nog een voorbeeld: Molly pleegt op 16 juni om half vier ’s middags overspel met een zekere Hughes (hij heeft een hele grote), ook wel Blazes, vurige, Boylan. Echtgenoot Bloom weet dat dat zal gebeuren! Hij laat het gebeuren. In hoofdstuk 15, dat zich laat lezen als het scenario van een fantasy film, zien we hem de twee overspeligen zelfs aanmoedigen! Waarom? Wat zegt dit allemaal over Bloom en Molly’s sexleven? Ze blijken 8 jaar tevoren een zoon te hebben gekregen, die al na elf dagen overleed. Daarna hebben ze samen nooit meer een coïtus gehad. Hoe verwerken beiden dat? Eén wellicht door met een ander naar bed te gaan, de ander door er een licht perverse fantasie op na te houden. Waar bijkomt, dat ook Bloom een ‘affaire’ heeft – zij het in de vorm van een erotisch getinte briefwisseling…

Naast dat Joyce een een complex aan verhaallijnen creëert, hanteert hij radicaal uiteenlopende stijlen, behandelt hij en passant, zoals ik al aangaf, grote klassieke thema’s en verweeft hij een verscheidenheid aan klassieke en populaire teksten, liedjes, reclame-uitingen en raadsels in zijn werk.

Een van de meest opvallende en voor de argeloze lezer complicerende factoren van Ulysses is het feit dat alle hoofdstukken een eigen stijl hebben. Joyce streefde ernaar de stijl van het hoofdstuk te laten ontstaan uit de thema’s en motieven die erin aan bod komen. In de eerste zes hoofdstukken valt dit nog niet zo heel erg op, al zijn de eerste drie hoofdstukken beduidend intellectueler te noemen dan de hoofdstukken 4 tot en met 6. In de eerste drie is Stephen de hoofdpersoon, en hij is een getroubleerde (zijn moeder is net overleden), gefrustreerde (hij wil schrijver worden maar dat lukt niet erg), gekoeioneerde (zijn vriend Buck Mulligan heeft een nogal neerbuigende, overheersende houding ten opzichte van Stephen) intellectueel. Bloom is, op het eerste gezicht, een eenvoudigere ziel; de stijl in de aan hem gewijde hoofdstukken 4 tot en met 6 is dan ook een stuk toegankelijker. Hoofdstuk 15 is in de vorm van een filmscenario geschreven. Het bizarre karakter van de gebeurtenissen erin wordt luister bijgezet door het feit dat niet alleen mensen spreken, maar ook geiten, broeksknopen, pianola’s, wilgen, honden, nymphen, gelukzalige dagen en taxusbomen. Toch accepteren we dit alles, omdat blijkbaar het ‘hallucinatoire’ het juiste stijlmiddel op het juiste moment is. En misschien ook wel omdat we in hoofdstuk 4 op bescheiden schaal al een staaltje van deze techniek hebben gezien, namelijk wanneer Bloom en zijn kat communiceren:

The cat walked stiffly round a leg of the table with tail on high.

- Mkgnao!

- O, there you are, Mr Bloom said, turning from the fire. … Prr. Scratch my head. Prr. … He bent down to her, his hands on his knees.

- Milk for the pussens, he said.

- Mrkgnao! the cat cried. …

- Afraid of the chickens she is, he said mockingly. Afraid of the chookchooks. I never saw such a stupid pussens as the pussens.

- Mrkrgnao! the cat said loudly.

… He went to the dresser, took the jug Hanlon's milkman had just filled for him, poured warmbubbled milk on a saucer and set it slowly on the floor.

- Gurrhr! she cried, running to lap.*

Joyce’s beeld van Dublin anno 1904 wordt versterkt door allerhande verwijzingen naar de populaire cultuur van die tijd. En net als tegenwoordig is de reclamewereld, waar Bloom zelf in werkzaam is en waarop hij dus extra gespitst is, uiterst belangrijk en vooral onontkoombaar. Bloom heeft een sterk ontwikkeld gevoel voor goede en slechte reclameslogans. Een waar hij absoluut geen waardering voor kan opbrengen is die van Plumtree’s Potted Meat: ‘What’s home without Plumtree’s Potted Meat? Incomplete. With it an abode of bliss.’ Blooms professionele weerzin heeft overigens ook een persoonlijke grond: de twee overspeligen, Blooms vrouw Molly en Blazes Boylan, consumeren in Blooms ‘home’ een potje Plumtree’s na het consumeren van hun liefde, of wat daarvoor doorgaat. Het gegeven maakt zijn ‘home’ minder ‘blissful’, zalig, dan gehoopt.

Ten slotte een paar raadsels. Het is lange tijd onduidelijk gebleven met wie Bloom nu eigenlijk zijn geheime correspondentie voert. Zij heet Martha Clifford, maar dat is een nom de plume. Pas onlangs heeft iemand bewijzen gevonden waarmee deze dame geïdentificeerd zou kunnen worden: het is nurse Callaghan, verpleegster in de kraamkliniek waar hoofdstuk 14 zich afspeelt. Blijft de vraag of Bloom zelf zich daarvan bewust is… Een ander raadsel is de identiteit van een duistere figuur, gehuld in een regenjas, die zich ophoudt op de begraafplaats en later nog een paar keer wordt gespot. Joyce geeft geen concrete aanwijzingen omtrent zijn rol of identiteit. Men breekt zich er nog steeds het hoofd over. Is het Joyce zelf? Joyce’s vader? Of, en dat is het meest waarschijnlijk, zomaar een figuur, zoals we zelf zo vaak tegenkomen in de stad, iemand die opvalt maar die we verder niet kennen of ooit zullen kennen, maar die door zijn verschijning blijft hangen in onze herinnering?

Er valt nog veel meer te vertellen over James Joyce’s Ulysses. Om dat, of althans het leukste deel ervan, te weten te komen zou ik vooral het boek zelf willen aanraden. Wat bleef hangen in mijn herinnering na eerste lezing van Ulysses, was de indruk dat ik een potpourri, een groot maar vooral humoristisch meesterwerk had gelezen. Het zette me aan tot herlezen en herherlezen, waardoor ik het steeds beter leerde kennen en veel karaktertrekken van het boek ging begrijpen. Het bijzondere van Ulysses is dat er altijd wat te onderzoeken, te raden, maar vooral te genieten overblijft. Voor mij is Ulysses een sterk – in alle betekenissen van het woord – verhaal geworden. En er gaat niets, wat mij betreft, boven een sterk verhaal.


Aanbevolen editie: James Joyce, Ulysses. The Corrected Text (Londen: The Bodley Head, 1993). Ulysses werd twee maal in het Nederlands vertaald: door John Vandenbergh (Amsterdam: De Bezige Bij, 1969) en door Paul Claes en Mon Nys (Amsterdam: De Bezige Bij, 1994). Onderstaande vertaling is afkomstig uit de laatste.



*De kat liep stijfjes om een tafelpoot heen, haar staart in de lucht.

- Mnjauw!

- Zo, zit je daar? zei Mr Bloom, die zich van het vuur afwendde. ... Prr. Kopje krauwen. Prr. ... Met zijn handen op zijn knieën boog hij zich naar haar toe.

- Melk voor poessie, zei hij.

- Mrjauw! deed de kat. ...

- Ze is bang voor de kippetjes, zei hij spottend. Bang voor de toktoks. Nooit heb ik zo’n dom poessie gezien als ons poessie hier.

- Mnrjauw! zei de kat luid.

... Toen liep hij naar het aanrecht, nam de kan die de melkboer van Hanlon net voor hem had volgedaan, groot de warmschuimende melk in een schoteltje en zette het voorzichtig op de grond neer.

- Gmrr! deed ze. Ze kwam aanhollen om te leppen.